Ik heb een wat rare vraag. Pontificaal ook - zo na een lange afwezigheid na het jammerlijke verlies van Oranje. Mijn vraag betreft een mop. Ken je die dingen nog. Uit de Donald Duck misschien. Wie weet heb je zelf wel eens een ouderwetsche brief op de bus gedaan, geadresseerd aan de Moppentrommel.
Vandaag kwam een collega met een dergelijk poëtisch bedenkseltje. Niet haar eigen bedenkseltje, want ik kende ‘m ook. Vaag, maar zeer zeker weten bekend. Maar de collega in kwestie bleek bij het vertellen - wel veel talent te hebben voor bloggen, maar minder voor het tappen van moppen. Het ging ongeveer zo:
Okay, ik heb een brulshirt, een voetbalhoed, oranje beenwarmers en een knaloranje legging. Ik heb niks van deze zaken ook echt aangetrokken, maar ik heb ze wel. Ik ben er dus klaar voor. Jezus wat een stress kinders. Luister, het oostblok gaat er al vandoor met het Eurovisie. Ik vind dat wij dan het EK mogen hebben. Je kan nu eenmaal niet alles hebben in dit leven.
Veel plezier straks!
Zo’n EK is best geinig. Niet alleen is er eindelijk wat op tv, maar als we zo goed spelen als we nu doen (ik zeg “we” - ik speel uiteraard mee vanaf de bank) geeft het je ook de kans je polonaise te oefenen, je oranje beenwarmers te dragen en die gekke hoed op te zetten, zonder dat je écht opvalt. Daartegenover staat een erg groot nadeel. Na elke wedstrijd ben ik een dag of 4 een echte, onvervalste, bijna onaanspreekbare zombie. Met maar één doel voor ogen: vet voer. Niet alleen killing voor mijn dieet, maar zoals je wel hebt gemerkt ook voor mijn weblog.
“Hoeveel stuks heb je?” Met een net iets te brede glimlach probeerde de kleedkamerkapo haar beshuldigende toon te compenseren. Zes antwoordde ik, naïef als ik op dat soort momenten kan zijn.
“Je mag maar 4 stuks.” Beschuldiging veranderde in triomf. En terwijl ze twee van de door mij met zorg uitgezochte stuks aanpakte, werd van de weeromslag haar glimlach zelfs oprecht. Als was het nu wel meer een grijns.
Een uur had ik rondgelopen. Pijn aan mijn voeten, zweet op mijn voorhoofd en duizelig van de eindeloze hoeveelheid rekken, zo volgepropt met kleding dat het bekijken ervan alleen was weggelegd voor de lucky few met biceps van formaat. En zag ik dan eindelijk iets glinsteren tussen alle stof. Iets dat best een pareltje zou kunnen zijn. Iets wat ik er na een serieuze worstelpartij dan eindelijk tussenuit had weten te trekken. Iets wat bij nadere inspectie eenmaal niet meer omsingeld door andere stuks, een soepjurk bleek of maatje xs, dan kreeg ik het met geen mogelijkheid meer terug in het rek. En nu, na alle lichamelijke inspanning en mentale dramamomentjes, mocht ik maar 4 stuks aanpassen.
God wat heb ik een hekel aan het cc-spelletje. Het spelletje waarbij mail naar elkaar wordt verstuurd met in het cc-vakje precies de juiste mensen die mee moeten lezen. Soms ter info en dat is okay. Maar vaak om iets af te dwingen: een schouderklopje voor hen of een veeg uit de pan voor jou.
Het vervelende van het cc-spel is dat je - net als bij de postcodeloterij - verliest als je niet meedoet. Want hoewel iedereen - ook de bobo’s in de cc - weet wat een misselijk spelletje het is, blijft de boodschap van de mail wel hangen (waarheid of niet) - óók bij de bobo’s in de cc. Ik haat het.
Heb ik dat. Trouw ik met een van de drie mannen in Nederland die niet van voetbal houdt. Niet eens gelegenheidsfan is zoals ik. Dus zit ik hier nu - 10 minuten voor de start van de wedstrijd - in mijn eentje op de bank. Hij naar de sportschool, ik aan het EK-en.
Eigenlijk moet ik blij zijn. Mijn vader is zo’n man die van voetbal houdt. Elke zondag ging die ene tv die we hadden (ja die kreeg je toen nog niet gratis bij een zak chips namelijk) zo ongeveer de hele dag, of wat voor mijn begrip de hele dag was, op Studio sport. Oh wat haatte ik die kleine mennekes (het was ook geen grote tv) die dat stomme balletje aan het rondschoppen waren. En hoewel ik mijn vader natuurlijk niet haatte, vond ik zijn druktemakerij wel retevervelend.
Het is begonnen. De pil is de deur uit en de ovulatiecalculator opgenomen in mijn favorieten. Het lange (niet geheel inactieve) wachten is begonnen. Hoe lang het zal duren. Twee maanden zoals bij die ene vriendin. Zes maanden zoals bij mijn moeder. Zes jaar zoals bij die ene collega. Of lukt het helemaal niet zoals bij sommige andere “oudere moeders,” de groep waar ik al sinds mijn 30ste bij schijn te horen.
Na mij eerst maandenlang druk te hebben gemaakt over de nachtmerrie die de bevalling heet. Heb ik nu een nog onbekende periode om me nog drukker te maken over dat wat men vruchtbaarheid noemt.
Starten met schrijven. Op het moment lijkt niks moeilijker, maar ook niks zinvoller. Schrijven om van de stress af te komen waarvan ik zelf niet eens meer merk dat het er is. Stress die er waarschijnlijk ook echt niet meer is, maar die zo lang heeft bestaan, dat ik ook zonder concrete aanleiding in stress-modus blijf hangen. En geloof me, dat is niet prettig. Behalve bonkende koppijn, duizeligheid en het gevoel alsof ik flauwval is het vooral het wegvallen van het geluid, het licht en het basale begrip van de Nederlandse taal erg vervelend. Het gevoel dat ik iets moet, zonder te weten wat, de onrust is nog het minste.









Reacties